Conclusies en aanbevelingen
Conclusies en aanbevelingen
- Er zijn geen principiële bezwaren tegen zorgvuldig gebruik van leiderschapstheoretische inzichten binnen de kerkelijke context, ook niet als ze gestoeld zijn op postmoderne inzichten. Mijn concluderende stelling is dat hedendaagse leiderschapstheorieën meer raakvlakken hebben met de ambtstheologische uitgangspunten dan het klassieke paradigma op leiderschap. Wel dienen leiderschapstheoretische inzichten – vroeger en nu – altijd gespiegeld te worden aan ambtstheologische principes. Dit vraagt om een conceptuele doordenking van de ambtsvisie binnen de reformatorische kerken.
- Voorzichtigheid bij het incorporeren van leiderschapstheorieën binnen de reformatorische kerken was, is en blijft nodig. Tegelijkertijd ben ik van mening dat kennis en inzichten vanuit de hedendaagse leiderschapstheorie (eventueel aangevuld met inzichten vanuit andere disciplines) kerkelijk leiderschap kunnen helpen dichter bij de bedoeling te komen. Dit vraagt echter wel om een andere manier van kijken dan ik tot nu toe aantref in publicaties over kerkelijk leiderschap. De toegevoegde waarde zit niet in de formele organisatie: de wijze van organiseren en structureren, de zogenaamde ‘bovenstroom’ en managementtools. Deze formele organisatie heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld en is deels beschreven. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het aantal ambten, het presbyteriale stelsel, besluitvormingsprocessen en kerkordelijke bepalingen. Omdat de kerkelijke gemeente echter in haar wezen een geheel eigenstandig fenomeen is, zijn de leiderschapstheorie en organisatiekunde op dit terrein (dus de inrichting en organisatie) niet versterkend, maar is het risico aanwezig dat ze afbreuk doen aan het unieke karakter van Gods gemeente en af kunnen leiden van dat waar het vooral over zou moeten gaan. Overigens geldt tegelijkertijd – en daarin ligt onmiskenbaar spanning in mijn conclusie – dat de vormgeving zoals door de eeuwen ontstaan sterk tijd- en contextgebonden is en ook voortdurend in rapport moet worden gebracht met tijd en context. Hiervoor heeft de kerk echter geen managementadviseurs nodig. Wel kerkelijke leidslieden die de ambtstheologie en leiderschapstheorie kennen (inclusief de onderlinge overeenkomsten en schuurplekken) en vanuit de uniciteit van de kerk verantwoord gebruikmaken van leiderschapstheorie.
- De waarde van de hedendaagse leiderschapstheorie ligt in het begrijpen van de onderstroom: dat wat onder de waterspiegel plaatsvindt. Dit wordt ook wel de informele organisatie of schaduwwereld genoemd. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven is er de laatste decennia veel meer aandacht gekomen voor de cultuurkant van leiderschap en organiseren. En juist op dit terrein kan kennis vanuit de leiderschapstheorie dienstbaar zijn in de kerkelijke context, ook omdat het heel bepalend blijkt te zijn voor het welbevinden van mensen en het functioneren van organisaties. Deze manier van kijken levert belangrijke nieuwe vragen op. Hoe wordt door mensen invulling gegeven aan taken, rollen en verantwoordelijkheden? Waar is gedrag en handelen belemmerend of juist bevorderend om bij de diepere bedoeling te komen? Hoe krijgen macht en gezag vorm? Hoe wordt betrokkenheid gestimuleerd? Welke geschreven en vooral ongeschreven regels gelden binnen de gemeenschap? Welke invloed heeft diversiteit in leeftijd, opleidingsniveau, karakter en persoonlijkheid? Welke rol hebben geestelijke ervaringen? En hoe wordt omgegaan met diversiteit in bevinding? Wat doen onderlinge relaties? Hoe staat het met de cultuur binnen de kerkenraad? Wat wordt er wel en niet gezegd? Hoe wordt omgegaan met feedback of kritiek? Welke afhankelijkheidsrelaties zijn er? Dit zijn enkele vragen gericht op het beter begrijpen van de onderstroom. Juist de onderstroom kan bevorderen dat de kerkelijke gemeente dicht bij haar hoge roeping komt. Of er juist ver(der) vanaf drijft. In hoofdstuk 3 is de gedragscode zoals van toepassing voor predikanten binnen de CGK weergegeven. Het verdient aanbeveling een dergelijke code voor ambtsdragers ook binnen alle reformatorische kerken te hanteren.
- Predikanten en ouderlingen binnen de reformatorische kerken zijn belangrijke actoren binnen de onderstroom. Deze hoofdrolspelers geven binnen een (deels) beschreven gewenste situatie (de ambtstheologische uitgangspunten) invulling aan hun opdracht. En bij de uitvoering speelt een wirwar aan factoren een rol: persoonlijkheid, biografie, macht, charisma, belangen, connecties, (geestelijke) ervaringen, rolopvattingen, visies, overtuigingen, tact, verwachtingen. Binnen de kerkelijke context kan dankbaar gebruikgemaakt worden van kennis en inzichten uit de leiderschapstheorie en aanverwante disciplines. Kerkelijke leiders hebben de opdracht de onderstroom zo veel mogelijk te kennen, te beïnvloeden, perverse elementen te ontmaskeren, de cultuur positief te beïnvloeden. De ambtstheologische uitgangspunten geven als het goed is richting aan het gedrag en het handelen in de onderstroom. Zij reiken als het ware een normatief kader aan voor zowel de inrichting van de kerkelijke organisatie en de werkwijze in de bovenstroom als voor het gedrag en het handelen van de kerkelijke leider in de onderstroom. En juist daarom is het zo belangrijk dat de ambtstheologie (verdergaand) op concept wordt gebracht en richting kan geven aan inrichting, gedrag en handelen. Dit is des te belangrijker omdat de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen vaak onbewust een grote impact hebben op de onderstroom.
- Een aantal aspecten maakt de patronen in de onderstroom binnen de kerkelijke context nog complexer dan daarbuiten. Dat betreft het fenomeen roeping in relatie tot bekwaamheid en de overtuiging die leeft dat de religieuze leider in relatie staat met het transcendente en zich kan beroepen op een hogere macht, op goddelijke openbaring of op een roeping. Ik zie dit als uitingsvormen van het eerder benoemde begrip Christusrepresentatie. De overtuiging representant van Christus te zijn heeft gevolgen voor de relatie met de volgers. Het biedt een autoriteit die niet is verbonden aan persoonlijkheid, maar aan een relatie met het transcendente, wat verborgen is voor de omgeving. Dit maakt gesprekken over de prediking, de identitaire koers van de gemeente en geloofsbeleving moeilijk. In de derde plaats is de kerkelijke situatie complexer dan daarbuiten omdat de persoon, de geloofsbeleving en de ligging van de leider een grote rol spelen in de keuze van de kerkleden. Het is een vrije keuze je te verbinden aan de kerkelijke gemeente en de leider(s). En de voorganger is van grote invloed op dat wat er binnen de kerkelijke gemeente plaatsvindt, met name wat betreft de inhoud van de prediking. Als vierde complicerende factor noem ik de vele vrijwilligers in relatie tot vaak één of een enkele beroepskracht. Ook dit heeft effect op de onderlinge verhoudingen en de onderstroom.
- De hedendaagse leiderschapstheorie beziet de persoon van de leider steeds meer in de specifieke context van de organisatie (ook wel contextueel, systemisch of situationeel leiderschap genoemd), waarbinnen politiek handelen, macht, irrationeel handelen en diversiteit grote invloed uitoefenen op de leider, de volgers en de cultuur binnen organisaties. Messick en Bazerman omschrijven deze context als een ‘moral mine field’, bijvoorbeeld als het gaat om besluitvormingsprocessen die vaak als transparant, gepland en ordelijk worden beschreven, maar in de praktijk irrationeel en amoreel kunnen verlopen. Het is waardevol om met behulp van andere wetenschappelijke disciplines als de psychologie en de sociologie deze onderstroom- of interactieprocessen en mechanismen beter te begrijpen. Omdat deze mechanismen zich ook binnen de context van bijvoorbeeld een kerkenraad voordoen, is het van groot belang niet alleen kennis te nemen van de theorie die beschrijft hoe het zou moeten werken, maar ook te reflecteren op de praktijk waarin duidelijk wordt hoe het werkt. Dit kan behulpzaam zijn in zowel het begrijpen van (besluitvormings)processen als het ontmaskeren van perverse en amorele praktijken in het menselijk samenwerken. In enkele gevallen werd aangegeven dat dergelijke reflectie- en feedbackmomenten ook gepland worden als kerkenraad.
- Het wezen van de kerk is fundamenteel anders dan dat van een organisatie of bedrijf. Zelfs als het om een christelijke of reformatorische organisatie gaat. Het Hoofdschap en Eigenaarschap van Christus is het beslissende verschil, met grote consequenties voor de inrichting en vooral de wijze van leidinggeven. Hieruit vloeit de onderlinge gezagsverhouding voort en deze is uniek en situationeel bepaald. Hierbij is de structuur (aantal ambten, formele inrichting, onderlinge taakverdeling, kerkordelijke structuur van een kerkverband) vooral het resultaat van eeuwen kerkgeschiedenis en situationeel bepaald. Heel anders ligt dit voor de cultuur: de wijze waarop mensen met de kerk van Christus en elkaar omgaan. Jezus’ voorbeeld is tijdloos en zonder concessies geldend. Ook in de 21e eeuw.
- Het is verstandig als kerkleiders binnen de reformatorische kerken kennisnemen van en lessen trekken uit ruim zestig jaar bezinning op ambt en gemeente-zijn binnen bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerken, de toenmalige Hervormde Kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Een van de meest actuele thema’s in studies en rapporten is de mate van betrokkenheid van de gemeenteleden op het kerk-zijn in relatie tot macht en gezag. Hierin wordt gezocht naar een balans. Overaccentuering van het bijzondere ambt maakt de gemeente monddood. Maar de gemeente zien als een democratisch orgaan met een veel grotere rol voor het ambt aller gelovigen heeft ook niet de betrokkenheid en verbinding gebracht waarop gehoopt werd. Een gezonde verhouding tussen kerkenraad en gemeente in de 21e eeuw vraagt om voortdurende doordenking. Datzelfde geldt voor de verhouding tussen de kerkenraadsleden onderling. Dit onderzoek doet op beide thema’s aanzetten, maar juist vanwege de in hoofdstuk 4 beschreven ontwikkelingen rondom gespreid en gedeeld leiderschap en het vergroten van betrokkenheid en eigenaarschap, is vervolgonderzoek wenselijk.
- Leiders in de kerk zijn gedragsdragers met verleende en genormeerde macht. De christelijke gemeente heeft de opdracht dat verleende gezag te aanvaarden. Deze vorm van gezag is uniek ten opzichte van andere gezagskringen. De juiste gezagsopvatting binnen de kerkelijke gemeente is van groot belang voor het geheel van de gemeente. In de gesprekken met de respondenten werd duidelijk dat de begrippen ‘macht’ en ‘gezag’ veel genoemd werden, maar conceptueel beperkt gedefinieerd kunnen worden. Het is belangrijk dat zowel de gezagsdrager als degene die opgeroepen wordt gezag te aanvaarden een eensluidend en Bijbels-theologisch gefundeerd beeld heeft van de onderlinge verhouding. Dit element vraagt meer aandacht in de prediking; niet alleen als macht en gezag onder druk staan of er daadwerkelijk spanningen zijn, maar vooral in algemene en preventieve zin, luisterend naar het Woord.
- Op een gewichtige wijze spreken over ‘het ambt’, ‘het ambt opgelegd gekregen hebben’ of ‘de ambtsdrager’ is in de reformatorische kerken heel gebruikelijk geworden. Ik zie dit als een cultureel bepaald verschijnsel en passend bij een klassiek leiderschapsparadigma zoals het eeuwenlang heeft gefungeerd . Bijbels-theologisch heeft dit echter weinig fundering; in het Nieuwe Testament komt het woord ‘ambt’ niet voor. Het is daarom beter te spreken over het vervullen van een dienst of het zijn van een dienaar. Wellicht staat dit te ver af van het ingeburgerde taakgebruik, maar (over)accentuering van de benaming ‘ambt’ voorkomen, lijkt me gepast omdat het onvoldoende recht doet aan het Hoofdschap van Christus en de gaven van de Geest in de breedte van de gemeente.
- De predikant dient zich vooral als dienaar van het goddelijk Woord op te stellen. Hij spreekt Gods Woord na, past dit toe en legt het uit. Hierbij is de predikant niet exclusief de boodschapper van Christus. De gemeente wordt opgewekt hetzelfde Woord te bestuderen. De geleidelijk gegroeide dominante positie van de bisschop als plaatsvervanger en representant van Christus is een vervorming in de kerkgeschiedenis en dient als waarschuwing voor het heden. Juist omdat ook nu oproepen klinken om te komen tot centralistischer en soms zelf eenhoofdig leiderschap. Hierbij wordt zelfs de titel bisschop gebezigd[5]. Deze behoefte wordt zichtbaar in tijden van onzekerheid, verwarring en polarisatie. Maatschappelijk groeit de behoefte aan sterk leiderschap. En ook in de kerk lijkt die behoefte groeiend. Van een dominocratie kan in de christelijke gemeente echter geen sprake zijn, omdat Christus het enige Hoofd is van Zijn kerk. De gemeente dient een mondige gemeente te kunnen zijn, in de goede zin van het woord. Wel zal de kerkenraad als collectief leiderschap moeten tonen in de gemeente. Zeker als er sprake is van onzekerheid of polarisatie.
- Kernprincipe is het delen van verleende macht binnen de kerkenraad. Er zou geen sprake moeten zijn van hiërarchie tussen de ambten onderling. De predikant vervult geen hoger of belangrijker ambt dan de ouderling. Het voorzitterschap van de kerkenraad is dan ook geen exclusieve of logische rol van de predikant maar zou moeten worden ingevuld door de ambtsdrager die hiertoe het beste in staat is en die het meeste vertrouwen geniet van de gehele kerkenraad. Ouderlingen dienen meer in positie te komen, is mijn overtuiging. De predikant kan hierin een belangrijke rol vervullen, maar primair is dit de verantwoordelijkheid van de ouderlingen zelf. Zij kunnen in het vergroten van hun rol terugvallen op oude papieren; zowel Bijbels-theologisch als kerkhistorisch en kerkordelijk. De door Van Ginkel aangedragen oorzaken van het ‘teleurstellende resultaat’ van het gezag van de ouderling kunnen behulpzaam zijn in de verdere doordenking binnen de kerkenraad.
- Het antihiërarchische principe, dat in de acta van Emden een nadrukkelijke plek kreeg als eerste artikel en nu artikel 84 van de DKO is, vraagt om herwaardering. Bijvoorbeeld als preambule in de DKO. Het is hierbij belangrijk een stap verder te komen dan slechts het voeren van een debat over de interpretatie van dit antihiërarchische artikel, wat gezien de huidige multi-interpretabele formulering in de DKO wel op de loer ligt. De weergave van dit artikel in de PKN-kerkorde artikel VI is hiertoe goed te gebruiken.
- De metafoor van de herder als beeld van het predikantschap schuurt met de positie van de predikant. Jezus is de (goede) Herder. De predikant niet. Zelfs de regelmatig gebezigde term ‘onderherder’ creëert een onjuist beeld. Er is in de christelijke gemeente geen sprake van eenhoofdig leiderschap. Daarnaast creëert de verhouding onderherder – dier (of predikant – leek) een onjuist beeld. Christus is het Hoofd en op aarde is er primair sprake van één soort mensen: zondige mensen. Wel zijn er verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
- Macht en gezag staat onder druk in deze tijd. In de samenleving en dus ook in de kerk. Meer dan ooit is het belangrijk binnen de christelijke gemeente uit te leggen hoe Christus Zijn kerk leidt, met gebruikmaking van mensen die Hij in het bijzonder roept om leiding te geven en met macht bekleedt. De vraag wat dit concreet betekent voor gemeenteleden is cruciaal, zeker gezien de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen zoals in hoofdstuk 2 beschreven.
- De christelijke gemeenschap krijgt eveneens instructies mee met betrekking tot de onderlinge omgang, zoals het vreedzaam met elkaar omgaan, eensgezind zijn, oog en oor hebben voor elkaar, elkaar dienen door de liefde en vergevingsgezind zijn. Deze instructies vragen voortdurend aandacht in de prediking en Bijbelstudie, maar ook door operationalisering in de huidige tijd en context. De beschreven (kern)waarden, gedragsregels of gedragscodes die binnen verschillende kerkgenootschappen en ook binnen lokale gemeenten worden gehanteerd zijn hier een goed voorbeeld van. Dit voorbeeld verdient navolging in die kerkgenootschappen en gemeenten waar deze gedragsregels nog ontbreken.