Probleemstelling
De christelijke gemeente in Nederland is een eeuwenoud instituut waarbinnen de ambtsdragers een leidende rol spelen. Deze gemeente is bestuurlijk en organisatorisch vormgegeven op grond van bijbels-theologische, kerkhistorische en kerkordelijke noties. Ik vat dit samen onder de noemer ambtstheologie. Deze ambtstheologische uitgangspunten hebben oude papieren en bepalen de onderlinge verhoudingen binnen de kerkelijke gemeente, de stijl van leidinggeven, de geschreven en ongeschreven regels, het karakter van de gemeente, de positie van de predikant ten opzichte van de ouderling en vele andere elementen. Deels zijn deze uitgangspunten beschreven, grotendeels ook niet. Soms zijn deze uitgangspunten direct herleidbaar uit oude bronnen, soms zijn deze uitgangspunten gebaseerd op tradities of gebruiken.
De christelijke gemeente is geen eiland, maar onderdeel van de 21e eeuwse samenleving. Haar leden zijn kinderen van hun tijd en worden beïnvloed door cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen die zich voltrekken. Welke invloed hebben deze ontwikkelingen op het instituut kerk en op haar leden? Hoe verhouden die ontwikkelingen zich tot de ambtstheologische uitgangspunten die worden gehanteerd? Hoe reageren kerkleiders en kerkleden op ontwikkelingen als de-institutionalisering en toenemend anti-hiërarchisch denken? Wat doet het met leiders als ze steeds minder terug kunnen vallen op hun formele positie[1] als predikant of ouderling? Welke effecten heeft de toenemende verpersoonlijking van het leiderschap als institutionele kaders wegvallen?[2]. Het aantal vragen is gemakkelijk uit te breiden als we de 21e eeuwse cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen spiegelen aan eeuwenoude ambtstheologische uitgangspunten. Want daar waar ‘institutionele kaders, leiderschapsstructuren en gezagsrelaties’[3] wegvallen ontstaat steeds dringender de vraag naar doordenking van nieuwe structuren.
Wie is de ambtsdrager – vaak leider genoemd – in dit discours? Hoe verhoudt hij zich binnen de kerkelijke gemeente tot die cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen? Kunnen en willen kerkelijke leidslieden persoonlijk en institutioneel anticiperen op deze ontwikkelingen? En in welke richting dan? Of proberen ze zich af te sluiten voor deze ontwikkelingen en wordt houvast gezocht in eeuwenoude ambtstheologische uitgangspunten? Dit zou overigens voor veel postmoderne gelovigen weinig overtuigend meer zijn in hun omgang met religieus leiderschap, stelt Barentsen[4]. De legitimatie en de macht van vooral religieuze leiders wordt met argwaan bekeken, terwijl de verwachtingen ten aanzien van deze leiders steeds diverser en hoger worden’[5]. Religieuze interesse laat zich nu minder institutioneel leiden (een zichtbare uitwerking van secularisatie), maar laat zich juist persoonlijk en spiritueel inspireren’[6]. Barentsen ziet een groeiende behoefte aan alternatieve ambtsconcepties, wat leidt tot een stortvloed aan seculiere leiderschapsliteratuur in de kerken[7]. Deze kennis en inzichten vanuit de leiderschapstheorie kunnen dienstbaar zijn aan het leiderschap in de kerk, zo meent Barentsen. Anderen vinden deze ontwikkeling ongewenst; het toepassen van seculiere leiderschapsmodellen en theorieën binnen de kerk is onverantwoord, stelt Van de Beek. In de kerk moet het niet over leiderschap gaan[8]. Inzichten of principes vanuit de leiderschapstheorie gaan de plaats van het Woord innemen, zo is de zorg.
In dit onderzoek breng ik drie lijnen samen, namelijk ambtstheologie, leiderschapstheorie en de cultureel-maatschappelijke context en onderzoek ik hoe ambtstheologie en leiderschapstheorie zich tot elkaar verhouden. Zijn het van elkaar gescheiden grootheden? Zijn zij niet verenigbaar met elkaar omdat een kerkelijke gemeente geen organisatie of bedrijf is? Waar schuren onderliggende overtuigingen en (mens)visies met elkaar? Of kunnen inzichten die opkomen uit de leiderschapstheorie de ambtstheologie behulpzaam zijn bij het om (leren) gaan met allerlei nieuwe vraagstukken die zich aandienen in de kerk? We denken dan aan concepten als dienend leiderschap, inspirerend leiderschap, gedeeld of gespreid leiderschap, persoonlijk leiderschap, groepsdynamische processen, veranderkundige inzichten, om niet meer te noemen.
Mijn centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe wordt de verhouding tussen ambtstheologie en leiderschapstheorie opgevat en ingevuld door predikanten en ouderlingen binnen de reformatorische kerken tegen de achtergrond van de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen in de 21e eeuw? Ik onderzoek dit vraagstuk allereerst op grond van literatuurstudie. En vervolgens ook door middel van een empirisch onderzoek. Met een aantal respondenten – predikanten en ouderlingen uit reformatorische kerken – ga ik op zoek naar antwoorden op de vraag naar de gewenste verhouding tussen ambtstheologie en leiderschapstheorie. Wat betekent dit voor veel ambtsdragers die naast hun ambt ook leiding geven of leiding ontvangen? Zetten zij de opgedane kennis, ervaringen en inzichten tijdens de werkweek in binnen de ambtelijke context? Of juist niet? Welke plek heeft professionalisering? En welke professionaliseringsvragen leven er? Hoe gaan zij om met toenemende personalisering binnen de wereld van leiderschap, in de kerk en daarbuiten?
In mijn onderzoek richt ik me specifiek op de reformatorische kerken, ook wel de bevindelijk gereformeerden genoemd. In paragraaf 1.6.1 definieer ik deze groep sociologisch. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerken, de Protestantse Kerk in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk (waar al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in allerlei (synodale) commissies wordt nagedacht over het ambt in verhouding tot maatschappelijke ontwikkelingen) lijkt er binnen deze reformatorische kerken niet of nauwelijks nagedacht te zijn over kerkelijk leiderschap in de 21e eeuw. Is deze hypothese juist? En zo ja, hoe is dit fenomeen verklaarbaar? En wat betekent dit voor de ambtstheologie en de leiderschapstheorie en praktische uitwerking ervan in de praktijk en inrichting van het kerkelijk leven? Is de wijze van leidinggeven voldoende bestand tegen de effecten van de brede maatschappelijke ontwikkelingen in de kerk? Of is er sprake van een vertraging in de doorwerking van die maatschappelijke ontwikkelingen die zich sinds de jaren zestig van de vorige eeuw hebben ingezet? Hoe reflecteren de kerkelijke leiders in de 21e eeuw op hun hun positie? Wat hebben zij nodig om de opdracht van Jezus om Zijn kudde te weiden hier op aarde gestalte te geven in een tijd van ingrijpende cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen?
[1] S. Paas en J. van Saane, Leiderschap en ambt in de laatmoderne samenleving, 151. In: L. van den Broeke en E. van der Borght (red.), Religieus leiderschap in post-christelijk Nederland, 151.
[2] J. Barentsen, Kenmerken van veranderend pastoraal leiderschap. In M. Steen (Ed.), Gidsen die begeesteren: Over pastoraal leiderschap, Vol. 19, pp. 63-78.
[3] J. Barentsen. NTT Journal for Theology and the Study of Religion, Volume 70, Issue 4, jan. 2016, p. 315.
[4] J. Barentsen. NTT Journal for Theology and the Study of Religion, Volume 70, Issue 4, jan. 2016, p. 306.
[5] J. Barentsen, Van ambtstheologie naar leiderschapsdiscours: Zoektocht naar een nieuwe visie op religieus leiderschap, 315.
[6] J. Barentsen, Kenmerken van veranderend pastoraal leiderschap. In M. Steen (Ed.), Gidsen die begeesteren: Over pastoraal leiderschap, Vol. 19, pp. 63-78.
[7] J. Barentsen, Van ambtstheologie naar leiderschapsdiscours: Zoektocht naar een nieuwe visie op religieus leiderschap, 313-315. En: J. van Saane, Geloofwaardig leiderschap, 8-9.
[8] A. van de Beek, Lichaam en Geest van Christus, de theologie van de kerk en de Heilige Geest, 223.