Inleiding en doelstelling

We leven in turbulente tijden. De wereld verandert in rap tempo en wij veranderen mee. Breed gedeelde opvattingen over God, de kerk, gezag en leiding geven en leiding ontvangen zijn in zestig jaar tijd – gerekend vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw die door kenners als een kantelpunt wordt gezien- op een bijna niet te bevatten manier veranderd. Dat is merkbaar en zichtbaar in gezin en samenleving en binnen onze organisaties. We zijn immers allemaal kinderen van onze tijd. Cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden ook de bevindelijk gereformeerden of de reformatorische bevolkingsgroep.

 

Maar hoe zit het met die veranderende omstandigheden binnen de reformatorische kerken in de 21e eeuw? Hun vormgeving en organisatie is gebaseerd op eeuwenoude uitgangspunten. Deze fascinerende vraag ligt aan de basis van het promotieonderzoek van Dick Both aan de TUA. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Protestantse Kerk in Nederland en haar voorgangers en de Gereformeerde Kerken in Nederland is er over dit thema in en vanuit de reformatorische kerken opvallend weinig gepubliceerd. Zestig jaar geleden verschenen de eerste alarmerende nota en rapporten vanuit synoden met titels als Wat is er aan de hand met het ambt? De maatschappelijke ontwikkelingen stelden ambtsdragers voor nieuwe vraagstukken rondom onderlinge verhoudingen, de betrokkenheid van gemeenteleden in relatie tot de rol van de ambtsdragers en het binden en boeien van gemeenteleden.

 

Op een zeer beperkt aantal publicaties na is het stil gebleven in de reformatorische kerken. Gaan de maatschappelijke ontwikkelingen deze kerken voorbij? Is er zoveel gezag en macht dat gemeenteleden zich in de kerk wel laten gezeggen? Is er zoveel duidelijkheid over rollen en verantwoordelijkheden tussen een predikant en ouderlingen dat dit vanzelf harmonieus verloopt? Zijn er zoveel leiderschapskwaliteiten of is er zoveel aanvoelingsvermogen dat er weinig tot niets aan te merken is op het samenleven van kerkenraad en gemeente? Is de inrichting van de kerkelijke gemeente zoals eeuwen geleden beschreven en sindsdien toegepast dienstbaar aan het gemeente-zijn in de 21e eeuw? Het aantal vragen is gemakkelijk uit te breiden.

 

In het promotieonderzoek heeft Dick Both beschreven hoe het er in de reformatorische kerken aan toe zou moeten gaan (op grond van Bijbels-theologische, kerkhistorische en kerkordelijke bronnen) en hoe het er daadwerkelijk aan toe gaat in de waarneming van de geïnterviewde ouderlingen en predikanten (op grond van empirisch onderzoek onder predikanten en ouderlingen). Dick Both heeft het promotieonderzoek gedaan en hij en zijn compagnon Alex de Bruijn schrijven dit boek met een  praktische inslag vanuit de diepe motivatie dat de kerkelijke gemeente niet onze gemeente is, maar het lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Hij heeft haar duur gekocht. Hij draagt als het Hoofd Zijn macht en heerschappij niet over aan het lichaam, aan zondige mensen, maar regeert Zijn gemeente vanuit de hemel, door Zijn Woord en Zijn Geest. Hij gebruikt daar kleine, zondige mensen voor als instrumenten om Zijn wil uit te voeren. Kerkenraadslid en/of gemeentelid zijn luistert dus uiterst nauw en vraagt kennis van Christus’ wil, van Zijn opdracht en vooral van Zijn voorbeeld. Hij heeft Zijn gemeente op aarde een voorbeeld gegeven. Niet vrijblijvend, maar om na te volgen. Het is niet voldoende slechts te weten wat Christus’ opdraagt, het gaat om de gezindheid van het hart om dit voorbeeld ook na te volgen.

 

Dit boek is daarom enerzijds een toegankelijk gemaakte versie van het proefschrift Want Ik heb u een voorbeeld gegeven; Jezus’ voorbeeld voor kerkleiders in de 21 eeuw waarmee Dick Both op 4 februari 2026 promoveerde aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en anderzijds een praktische vertaalslag van de inhoud van het proefschrift. Daarmee heeft dit boek drie delen.

 

Het eerste deel is een contextbeschrijving. Er wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: in welke samenleving leven we als kerkmensen; door welke cultureel-maatschappelijke invloeden worden we als kerkenraadsleden en gemeenteleden beïnvloed; en wat betekent dit voor de wijze waarop we met elkaar omgaan, hoe we leiding geven en leiding ontvangen? Omdat er specifiek binnen de reformatorische kerken nog weinig over dit thema is gepubliceerd, kijken we breder en nemen we de lezer mee in de zoektocht die buiten de reformatorische kerken al vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw gemaakt wordt.

 

Het tweede deel van dit boek beschrijft hoe het er in de kerk van Christus op aarde aan toe zou moeten gaan. De hoofdstukken 4 tot en met 8 reiken een Bijbels-theologisch denkkader aan en beschrijven in vogelvlucht wezenlijke periodes in twintig eeuwen kerkgeschiedenis. Van de nieuwtestamentische gemeente tot de kerken in de 21e eeuw.  In dit deel beschrijven we ook hoe kerkordelijk en systemisch-theologisch nagedacht is over de kerkelijke gemeente en de onderlinge verhoudingen daarbinnen. Dit deel sluit af met een ambts-theologisch kader, wat we geschreven hebben op grond van de verkenning in deel 2. Een op concept gebracht ambts-theologisch kader lijkt ons namelijk voorwaardelijk voor de praktijk, zoals in deel 3 beschreven.

 

Deel 3 gaat over de concrete praktijk. In de hoofdstukken 9 tot en met 30 komt thematisch gerangschikt een scala aan onderwerpen waar kerkenraden mee te maken hebben aan de orde. Deze worden volgens een vast stramien behandeld. Eerst wordt een relatie gelegd met de inhoud van deel 1 en vooral deel 2. Dan beschrijven we wat dit thema praktisch betekent voor de gemeente in de 21e eeuw en wat mogelijke probleemvelden zijn. Vervolgens reiken we materiaal aan voor verwerking en toepassing. Dit kan individueel gedaan worden aan de hand van meer persoonlijke vragen (gespreksvragen voor persoonlijk gesprek) of binnen de kerkenraad (vragen om samen te bespreken). Dit deel bevat talloze casussen uit de praktijk, instrumenten, zienswijzen en citaten, bijpassende Bijbelgedeelten en psalmen en suggesties voor verdere doordenking en bestudering.

 

Het is onze wens dat de inhoud van dit boek ambtsdragers en gemeenteleden (opnieuw) duidelijk maakt wat dienen in Gods Kerk concreet en praktisch betekent voor de omgang met elkaar, zowel binnen de kerkenraad als in de verhouding en interactie tussen kerkenraad en gemeente. Dat is in de tijd waarin we leven balanceren en veeleisend, zoals duidelijk zal worden bij het lezen van dit boek. We hebben het boek geschreven met de reformatorische kerken voor ogen. De ambtsleer, ambtspraktijk en kerkordelijke bepalingen kennen een bepaalde diversiteit binnen de kerkgenootschappen zoals op de volgende pagina’s genoemd. In de casuïstiek, citaten en voorbeelden hebben we hier zoveel rekening mee gehouden. Desondanks zullen er voor elke lezer praktijken worden beschreven die anders zijn dan binnen het eigen kerkverband. We verwachten dat de lezer zich hierdoor niet laat afschrikken, maar met belangstelling kennis neemt van deze praktijken en gebruiken.

 

De apostel Johannes ervoer overigens in zijn tijd reeds hoe moeilijk het is voor zondige mensen om leiding te geven in Gods kerk. In zijn derde zendbrief voert Johannes ene Diotrefes op. Een leider van de gemeente. Nadat in het eerste deel van de brief Gajus wordt geprezen, wordt vanaf vers 9 Diotrefes als tegenpool neergezet. Hij is uit op meer macht en invloed in de gemeente. Deze Diotrefes wordt door Johannes als een gevaarlijk man gezien. Naast de grootste fout – het machtsstreven – maakt Johannes hem zes verwijten: hij speelt de baas, hij ontvangt de oudste niet, bij belastert de oudsten, hij is ongastvrij, hij belemmert anderen om gastvrij te zijn en hij zet goede mensen uit de gemeente.

 

‘Geliefde’, zo eindigt Johannes, ‘volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien’. Hét voorbeeld plaatst ons voor de opdracht goed te volgen!

 

Ede, januari 2026

 

Dick Both en Alex de Bruijn